AI zet je didactiek op scherp: interview met Jelle de Keersmaecker

Met zijn Handboek AI-didactiek wil Jelle De Keersmaecker AI op de klasvloer brengen. We spraken met hem over leren mét AI, cognitieve uitbesteding en de nood aan structurele ruimte voor AI-geletterde leraren en leerlingen. 

Je hebt een boek geschreven over AI-didactiek. Waarom dit boek, en waarom was jij de persoon om het te schrijven? 

“Ik merkte dat er op de werkvloer nog te weinig gebeurde. Er wordt veel vergaderd, gekaderd en beleid gemaakt, maar met te weinig kennis van hoe AI in de praktijk nu al gebruikt wordt door heel veel leerlingen en sommige leerkrachten. Dat is jammer, want AI kan vandaag al een verrijking zijn als de leerkracht een beetje inzicht heeft in hoe leerlingen leren, en hoe niet. De grote modellen en wat je ermee kunt, zijn veel belangrijker dan alle wrappers die errond worden gebouwd.” 

Als leraar Nederlands, auteur en ontwikkelaar bekijkt Jelle AI in de eerste plaats vanuit de klaspraktijk. In zijn Handboek AI-didactiek verbindt hij de mogelijkheden van AI met inzichten uit de leerwetenschappen. De principes van Wijze lessen vormen daarbij een belangrijke inspiratiebron. Niet het snelle wow-effect staat centraal, wel de vraag wat AI aan een didactisch proces kan toevoegen. 

Hoe maak je dat concreet? 

“Tijdens mijn sessies wil ik bespreken welke modellen er zijn, wat je ermee kunt en welk model geschikt is voor welke taak. Daarna moet het snel hands-on worden. Soms betekent dat ook vibecoden: zelf iets maken dat een concreet probleem oplost waarmee je op dat moment zit.” 

Jelle ontwikkelde zo onder meer OctoVoc, een app die het taalbeleid een enorme impuls geeft en de verplichte Vlaamse taalscreening combineert met dagelijkse remediëring op woordenschatniveau. Niet één, maar zes jaar lang, waarbij de impact op de woordenschatkennis, en dus ook de leesvaardigheid, op het eind van de rit substantieel is. Ook LAIA, een leer- en toetsplatform dat bestaand cursusmateriaal met één klik interactief maakt, een AI laat tutoren of bestaande toetsen automatisch digitaliseert, ontstond vanuit een concrete behoefte. Het is niet alleen boeiend voor in de klas en voor één-op-ééntutoring, maar ook voor afstandsonderwijs, en op dit moment loopt er ook een samenwerking met time-outonderwijs. Zulke toepassingen kunnen kleinschalig beginnen, maar uiteindelijk ook een bredere en zelfs disruptieve invloed krijgen op de schoolorganisatie. 

AI-geletterdheid betekent voor hem daarom ook begrijpen wat er onder de motorkap gebeurt. Zoals we jongeren iets leren over de werking van het menselijke brein, mogen we ook aandacht besteden aan de werking van deze nieuwe vorm van intelligentie. Alleen over risico’s praten volstaat niet. De Europese AI Act is volgens Jelle terecht beschermend en preventief, maar kan onbedoeld ook de afwachtende houding versterken van wie AI liever buiten de schoolpoort houdt. 

Een belangrijk risico is dat leerlingen hun denkwerk aan AI uitbesteden. Hoe ga je daar als leraar mee om? 

Voor Jelle begint het bij preventie: een gesprek met leerlingen, nog voor er iets misloopt. Dat gesprek moet gaan over skilling en deskilling: helpt AI de leerling om een vaardigheid te ontwikkelen, of zorgt de technologie ervoor dat die vaardigheid stilaan verloren gaat? Leerlingen daarop wijzen klinkt overbodig, maar dat is het niet. Ook de manier van evalueren speelt een rol. Wie op elk klein onderdeel punten zet en alles laat meetellen, zet volgens Jelle zelf de deur open voor AI-gebruik waar uiteindelijk niemand slimmer van wordt. 

“Komt het toch tot een confrontatie, begin dan niet met beschuldigen. Je wilt niet meteen alle deuren dichtgooien en leerlingen dwingen om zich klem te praten. Zeg dat je wilt begrijpen hoe leerlingen AI gebruiken en waarom ze dat doen. Alleen wanneer je daar open, transparant en begripvol op reageert, ontstaat een gesprek over cognitieve uitbesteding. Leerlingen zijn voor rede vatbaar, als je dat zelf ook bent.” 

Geldt dat ook voor schrijven? 

“Ik zet voluit in op schrijven: het is denken op papier, je leert er je ideeën mee structureren, formuleren en oppoetsen. Dat moeten leerlingen blijven leren. Maar dat wil niet zeggen dat schrijven met AI uit den boze is. Waarom moet een student geneeskunde per se een uitstekende schrijver zijn? Je wilt in de eerste plaats weten of die persoon een goede arts wordt. Dat bewijs je niet noodzakelijk met een perfect geschreven proefschrift.” 

Jelle beseft dat hij zich als leraar Nederlands (SANCTA) en schriftelijke communicatie (UCLL) met die uitspraak op glad ijs begeeft. Toch pleit hij niet voor minder schrijven, maar voor beter leren schrijven mét AI. Basisvaardigheden, zeker in het basisonderwijs én het secundair onderwijs, blijven essentieel, met verfijning in de opleidingen van het hoger onderwijs waar zelf reflecteren, structureren en formuleren op papier een doel op zich is. Daarnaast moeten leerlingen leren hoe AI het schrijfproces kan versterken zonder het over te nemen. 

Hij geeft het voorbeeld van een klachtenbrief. Wie AI vooraf de volledige brief laat schrijven, besteedt het denkwerk uit. Wie de afgewerkte tekst achteraf invoert, krijgt vooral een herformulering. Interessanter is AI tijdens het schrijven gebruiken. Het model kan dan bijvoorbeeld signaleren dat de schrijver wel een probleem beschrijft, maar nog niet om een concrete compensatie heeft gevraagd. Precies daar ontstaat een leerkans. 

Kan AI ook de feedback van een leraar overnemen? 

AI kan volgens Jelle sterke feedback geven op technisch, vormelijk en zelfs inhoudelijk vlak. Maar die feedback moet worden aangevuld met iets wat een model niet bezit: de persoonlijke, emotionele en coachende blik van een leraar die de leerling en diens leerproces kent. De leraar blijft aan het stuur en schat in wanneer feedback persoonlijker of coachender moet zijn. Soms ligt wat je evalueert dicht bij de persoon van de leerling, en dan wil je tijdens de evaluatie ook aftasten. De technologie ondersteunt; de leraar geeft betekenis en richting. 

Wat is er nodig om dit structureel in scholen te verankeren? 

Jelle ziet veel kleine initiatieven, maar nog te weinig samenhang. Het vak informatica is op veel plaatsen verdwenen, waarna digitale vaardigheden terechtkwamen bij leraren die daar niet altijd voldoende voor zijn opgeleid. Scholen krijgen doelen opgelegd, maar mogen grotendeels zelf bepalen hoe ze die bereiken. Die pedagogische vrijheid is waardevol, maar werkt ook verlammend op beleidsniveau: wie moet welke beslissingen nemen zonder iemand te bruskeren of op lange tenen te trappen? 

Centraal zijn daarom een duidelijk kader en aansturing nodig. Tegelijk gelooft Jelle sterk in kleine, vakoverschrijdende teams binnen scholen: enkele enthousiaste leraren die structureel tijd krijgen om te experimenteren, toepassingen te ontwikkelen en collega’s mee te nemen. AI kan zulke teams helpen om ook grotere uitdagingen aan te pakken, van taalbeleid tot motivatie. 

Tijdens een sessie in onze Belfius Digitruck herkende Jelle verschillende werkvormen die bij die visie aansluiten. Jongeren moeten AI niet alleen leren vermijden of controleren. Ze moeten ermee leren werken, erover leren nadenken en bewuste keuzes leren maken. 

Wie AI-geletterde jongeren wil vormen, heeft daarom ook AI-geletterde leraren nodig. Niet elke leraar hoeft ontwikkelaar of AI-expert te worden. Maar elke leraar verdient wel de tijd, kennis en kansen om samen met leerlingen wijzer te worden in het gebruik ervan.